Column: Gamma

‘Gek hè’, zeg ik tegen Rob. Hij knikt. Heel gek. Ik kan het niet laten even via de achteruitkijkspiegel naar de achterbank te kijken. Ook al weet ik heel zeker dat daar geen kind zit. Nope. Job verschijnt niet in beeld. We zijn zomaar weggaan. Deur dichtgetrokken en de auto gestart. Omdat we een blik verf moesten hebben.

Column: Televisie

Eén animatiefilm kan ik noemen waarin een gehandicapt kind geen gehandicapt kind is, maar gewoon een knaapje tussen zijn klasgenoten. Carl zit in een rolstoel en moet toezien hoe zijn maat Sherman, een bolleboosje, wordt gepest. Het rolstoelkind heeft verder geen rol, het zit gewoon brood te eten in de kantine.

Column: Lift (2)

‘En als hij weer blijft hangen, moet je er gewoon een keer met de vuist op slaan’, zegt de liftmonteur voordat hij ons huis verlaat. De man met imposante gereedschapskist heeft zojuist geprobeerd de storing in onze huislift te verhelpen, maar had niet het juiste onderdeel bij zich.

Column: Lift

Onze lift doet het niet. Hij gaat niet omhoog en niet omlaag. In ons huishouden is dat een probleem met een hoofdletter P. Maar alles kan altijd erger. In dit geval hebben we mazzel dat er niemand ín de huislift zit.
Job maakt gelukkig meteen iets gezelligs van het ongemak.

Column: Geloven

Na Sinterklaas is ook de Kerstman weer vertrokken. Of Job nog in ze gelooft, vroeg een collega. Moeilijke vraag. ‘Ja’ was een te simpel antwoord. Alsof niet-geloven ook een optie was. In Jobs beleving is alles waar wat hij ziet. Is dat ‘geloven’? Of betekent geloven dat je iets wílt geloven, terwijl er ook argumenten zijn om niet zo zeker te zijn van wat je ziet?

Column: Noorderlicht

Ik droomde dat ik op een boot zat. We dobberden in een fjord tussen besneeuwde bergen. De lucht was donkerblauw van de schemering. Hier, niet ver van de poolcirkel, heerste ’s winters duisternis. In de bevroren stilte hoorden we plotseling zuchten. We draaiden onze hoofden en zagen boven de kalme zee het blaasgat van een walvis.

Column: 5 december (3)

Zo meisje, wat ben jij groot geworden.’ Sinterklaas staat in onze woonkamer en schudt oma (79) de hand. Haar wangen kleuren rood. Job (13) zit veilig bij Rob op de arm. Hij verstopt zijn hoofd in de nek van zijn vader. Piet zoekt intussen een plekje voor de staf. Sint en Piet kijken wat onwennig om zich heen.

Column: 5 december (2)

De beste oplossing zou natuurlijk zijn dat we zelf een Sint- en Pietpak kopen. Dan kunnen we elk moment inspelen op Jobs onverzadigbare behoefte aan het decemberfeest. Ons gehandicapte kind hoeft maar ‘Sinterklaas!’ te roepen en we springen in de houding. Rob zal van ons beiden de Sint moeten zijn. Grote man, beetje streng…