Column: Sneeuw

Na twee dagen binnenblijven vond ik dat Job er ook maar even uit moest. Een paar meter van ons huis stonden we al muurvast. Rolstoelwielen klem in de sneeuw. Op de grote weg zou het vast beter gaan, hoopte ik, dus moesten we zien dat we het einde van ons woonerf haalden.

Ik draaide Job om, zodat ik hem achter me aan kon trekken. Hij stak zijn tong uit want het was opnieuw gaan sneeuwen. Elk vlokje slikte hij door.

Op de grote weg werden we links en rechts ingehaald door opgewekte ouders die als pronkpaarden een arretje trokken met daarop hun kleurig ingepakte kroost. Mooie rechte sleesporen. Wij maakten slingerende lijnen alsof we straalbezopen waren. Soms riep ik wat naar het vlokjeshappende kind achter me. ‘Alles oké?’ Vanwege de mutsflappen over zijn oren hoorde hij me niet.

Ik draaide de rolstoel weer met de neus naar voren. Liep direct vast. Voor de wielen was een sneeuwbergje ontstaan. Nadere inspectie leerde dat de voetenplank van Job, die maar een paar centimeter boven de grond hangt, een sneeuwschuiver was geworden. En ik begreep nu waarom gemeentelijke voertuigen die deze dagen worden ingezet van die grote tractorbanden hebben: zo komen ze vooruit. De kleine zwenkwieltjes vooraan een rolstoel gaan kopje onder in de sneeuw. Nog een verschil: gemotoriseerde sneeuwschuivers hebben heel veel pk’s. Ik was maar een arm moedertje in een skipak, dat harder zweette dan dat ze kracht had.

Met al die kennis tussen mijn oorwarmers besloot ik dat we beter huiswaarts konden keren. Wat te doen met de rolstoel die in een half uur meer sneeuw had verzameld dan een gemiddelde shovelbek? Ik zeulde de blije 17-jarige eruit en zei dat de tong nu naar binnen kon. De smeltende stoel parkeerde ik op de badkamer.

We waren er lekker even uit geweest.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *