Column: Verdwijntrucs

Ik ben 44, heb een baan als hoofdredacteur, publiceerde een aardig rijtje boeken en voed al vijftien jaar een gehandicapte zoon op. Best volwassen. Maar als mijn ouders op bezoek komen, begin ik als een opgejaagd kind mijn kamer op te ruimen.
Schoenen vliegen in de kast, stapels papieren op de eettafel schuif ik in plastic tassen die achter een deur verdwijnen. ‘Kijk eens papa en mama hoe keurig ik leef!’

Waarom doe ik dat? Ze weten al lang hoe ik ben. Vanaf het moment dat ik er als baby speeltjes vast kon pakken, gooide ik ze door elkaar.
Rob vindt het heel grappig. Op een zondag sprong hij opeens op van zijn stoel – ik zat nog in mijn ochtendjas cornflakes naar binnen te lepelen te midden van de voor mij vertrouwde weekendtroep.
“Hé, zei hij, “je ouders komen er al aan”.
Ik verslikte me in mijn ontbijt. Half tien! Ik dacht dat ik nog ten minste een half uur had om mijn magische verdwijntrucs toe te passen en iets met een stofzuiger te doen.

Rob lachte een duivels lachje. “Nee hoor, ze zijn er nog niet. Schrok je?”
Mijn ouders zullen me niet onterven als ze in een zooi terechtkomen. Daarbij: ze kennen me goed genoeg om te weten dat de stapel papieren terug op tafel komt zodra zij hun hielen gelicht hebben. En dat ik me prima red zonder hen, ondanks mijn chaos.
Vanwaar dan mijn ‘zie mij eens’-toneelstukje telkens opnieuw? Wat heb ik te bewijzen? Ongeacht het antwoord, weet ik zeker dat ik het de rest van mijn (of hun) leven blijf doen.

Mijn zoon is verstandelijk beperkt. Hij mag dan een puberlijf hebben, in zijn koppie is hij een kleuter. Ik zou zo graag weten of hij ook trucs uithaalt om mij een opgepoetste versie van zichzelf te laten zien.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *