Zomerserie Mijn Job (1): ‘Die jongens helpen me alles te vergeten’

Job verlaat na negen jaar de basisschool. In een zomerserie voor De Gelderlander laat Annemarie Haverkamp onmisbare helpers uit het speciaal onderwijs aan het woord. Vandaag: taxichauffeur Hafiz Faqiri (50).

Hafiz Faqiri. Foto: Paul Rapp

‘Ik ben opgegroeid in Kabul, Afghanistan. Op mijn negentiende ging ik naar Rusland om te studeren, dat was toen heel gebruikelijk. Internationaal recht deed ik – ik wilde diplomaat worden. Na mijn studie zei mijn moeder ‘ga niet terug, het is te gevaarlijk’. Zij zat met mijn broertjes en zusjes al in Amerika. Maar ik wilde terug naar mijn vader, die als een vriend voor me was. Ook al was het oorlog, hij weigerde Afghanistan te verlaten. We hadden verschillende winkels en huizen in Kabul, ons leven was daar goed.

‘Nog steeds heb ik nachtmerries van de vreselijke dingen die ik heb gezien’

Op een dag is mijn vader vermoord waar ik bij was. Nog steeds heb ik nachtmerries van de vreselijke dingen die ik toen heb gezien. Na de begrafenis wilde ik zo snel mogelijk weg, het was in Afghanistan niet veilig. Alles heb ik achtergelaten.

Een zusje zat in Nederland, daarom kwam ik hierheen. Het was 1998. Nederland, mijn favoriete elftal, deed mee aan het WK. Het hele land was oranje. Zelf was ik een heel behoorlijke middenvelder, ik heb in het nationale elftal van Afghanistan gespeeld. Ik weet nog dat ik in het azc Oranje wilde kijken, maar dat we met zes man op een kamertje zaten en iemand anders een muziekzender opzette; we hebben toen ruzie gemaakt. Het leven in het asielzoekerscentrum vond ik vreselijk, de eerste jaren zat ik in Friesland. Ik kreeg er uiteindelijk een vaste baan aangeboden bij de Lidl, maar ik wilde niet blijven.

In Nijmegen werd ik in 2002 voorgesteld aan een meisje, een Afghaanse. Ik heb twee prachtige zoons van haar, ze zijn nu 11 en 13.

De eerste jaren in deze stad werkte ik als toezichthouder. Maar rondlopen in een uniform paste niet bij me. Ik moest boetes uitdelen enzo. Op straat werden we uitgescholden, mijn Afrikaanse collega noemden ze Zwarte Piet. Een boze man zei eens dat hij me zou pakken na werktijd. Toen ben ik taxichauffeur geworden. Dat was mijn eerste ervaring met gehandicapte kinderen.

Elke ochtend breng ik Job en de jongens naar school, ik word altijd blij van ze. Ik zorg voor muziek in de bus – Job vindt I like to move it move it leuk, dat liedje heb ik voor hem op mijn telefoon gezet. Hij kent mijn naam en vindt het leuk om grapjes te maken. Die jongens helpen me alles te vergeten. Onlangs heb ik een vast contract gekregen bij het taxibedrijf, dat geeft rust.

Nog één keer zou ik terug willen naar Afghanistan. Om het graf van mijn vader te bezoeken en te kijken of ons huis er nog staat. Godzijdank is Job niet in Afghanistan geboren – gehandicapten hebben het daar verschrikkelijk.’

De column van Annemarie Haverkamp is terug op zaterdag 2 september.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *