Column: Merci

De rolstoeltaxi rijdt voor. Terwijl het liftje met Job erop langzaam zakt, zegt de chauffeur dat hij iets moet opbiechten. Ik had hem toch een boek met columns over Job gegeven? Wel, hij had het in de koelkast gelegd. Ja kijk, hij dacht dat het een doosje Merci was.

Column: Troosten

Badkamerscène: Job ligt in zijn luier op de aankleedtafel. Ik buig me over hem heen om zijn hemd aan te trekken. Hij pakt mijn gezicht en geeft me een kus. Duwt me dan weg en bestudeert mijn ogen. “Mama, ben jij verdrietig?”

Column: Pijn

“Alsof er een wasknijper op drukt. Alsof er een elastiek omheen knelt.” Bij de specialist wijs ik naar de pijnlijke plek en probeer ik zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven wat ik voel. De klachten duren al veel te lang en maken me gek. Ik kan weinig doen, behalve mijn buikpijn onder woorden brengen.

Column: Bronzen Uil

De wekker geeft 02.43 uur aan. Zo zachtjes mogelijk sluip ik over de gang, langs Jobs kamer – het knakken van mijn enkels kan hem al wakker maken. Twee trappen af, op de tast de woonkamer in. Waar is die uil? Het bronzen beeldje staat waar ik het gisteravond heb achtergelaten: op het dressoir.

Column: Volwassen

Ik lig op mijn rug met mijn hoofd in Jobs schoot. We kijken elkaar aan. Zo hoort het niet. Al vijftien jaar ligt hij op de bank bij mij op schoot. Job moet lachen, speelt met mijn haar. Door zijn kromme rug is zijn gezicht vlakbij het mijne.

Column: Cadillac

Job heeft het voor elkaar: wit glitterpak aan, zwarte pruik op, gouden zonnebril over zijn oren en de linkerarm losjes rustend op het portier van een roze Cadillac uit 1959. Zijn tante regelde deze waanzinnige auto via de Cadillac-club. Waarom? Omdat Job in zijn Elvis-fase zit.