Column: Wachten

Uit de wc klinkt gerochel. Iemand schraapt zijn hele binnenste en laat het met een fluim terechtkomen in de wasbak. Opgetrokken wenkbrauwen in de wachtruimte. “Laat ze die deur dichtdoen”, smiespelt een vrouw tegen haar man. Het is welkome afwisseling, dit onsmakelijke rochelen.

Column: Ongeluk (2)

Heeft Job pijn? De dokter vraagt het, de tandarts vraagt het. Het eerlijke antwoord is: we weten het niet. Job krijst niet meer hartverscheurend zoals vorige week toen hij net met zijn tanden op de badkamervloer was gevallen. Hij laat toe dat deskundigen in zijn mond kijken om de schade op te nemen en een restauratieplan te bedenken.

Column: Ongeluk

Job is hard gevallen in de badkamer. Vanuit de stoel die we over de wc schuiven zodat hij kan plassen, is hij voorover op de tegels gesmakt. Twee voortanden zijn afgebroken en naar binnen geslagen, een hoektand is beschadigd. Ik kom thuis als het ongeluk net is gebeurd. Job huilt hartverscheurend, hij zit onder het bloed. Ik wieg hem en duw hondje Duke tegen zijn wang. Dat helpt, zijn trouwe knuffel kalmeert hem. Ik wil dat Duke niet alleen zijn bloed absorbeert, maar ook zijn pijn.

Column: SpongeBob

‘Au, mijn neus.’ Dat zei de allereerste SpongeBob die Job ooit kreeg als je de knuffel in zijn neus kneep. SpongeBob riep het zo hard, dat alle baby’s op de afdeling geschrokken onze kant op keken. Jobs liefde voor SpongeBob werd geboren in het ziekenhuis, vlak na zijn schedeloperatie. Juist omdat het gele zeedier zo luidruchtig was, viel onze zoon als een blok voor hem. De knuffel was een geschenk van Jobs favoriete oom, dat hielp ook.

Column: Discriminatie

Soms moet je de straat op om onrecht tegen te gaan in de samenleving. Dan sta je te demonstreren in de kou. Lopen mensen je voorbij alsof je lucht bent, of erger, ze kijken je vies aan. Maar je houdt vol, weet dat je voor een rechtvaardige zaak staat en dat anderen met en na jou baat zullen hebben bij jouw dwarsliggen.

Column: Tomaten

Het jongetje laat zijn waterpistolen rusten langs zijn tengere lichaam als hij me vraagt of ik de tomatenplanten heb gezien. “Ja”, zeg ik. Samen staan we op het rivierstrandje bij de krib. Sinds het laagwater groeien hier nieuwe bloemen en planten, waaronder tomaten. Haastige flora in een tijdelijke tuin. Ik probeer te schatten hoe oud dit ventje in korte broek en regenlaarzen is. Zeven? Acht?