Column: Kapper

Zwetend zit ik in de kappersstoel. Kijk naar het gezicht van de man met de tondeuse. Ook hij ziet er verhit uit. ‘Nee, die schaar is gevaarlijk’, zegt hij en hij peutert de vingers van Job los uit de ringen van de schaar.

De kapper doet zijn uiterste best Job een recht kapsel te geven. Ondoenlijk. Voor we binnen stapten had ik netjes gevraagd of hij een gehandicapt jongetje wilde knippen dat niet stil kan zitten. ‘Graag’ zei hij uitnodigend. Wat zal hij daar spijt van hebben.
Van mijn plek op het wachtbankje achterin de zaak ben ik al opgeschoven naar de kappersstoel naast Job. Ik kon het niet meer aanzien. Mijn kind grijpt alles uit het verrijdbare werkwagentje van de kapper. Borstels, kammen, haarklemmen. En nu dus een potentieel moordwapen: de schaar.

‘Laten liggen Job’, doe ik een laffe poging. Maar ik weet dat het geen enkele zin heeft. Job voelt haarfijn aan dat hij hier de baas is. Pak ik hem dingen af, dan zal hij het de kapper nog lastiger maken en gaat hij straks als skinhead de deur uit. Inmiddels borstelt Job met het gereedschap van de kapper vrolijk het haar van knuffel Duke in zijn schoot. Een straaltje kwijl loopt in de bruine vacht van de hond.

Ik neem Job graag mee naar nieuwe plekken. Vind het bij mijn taak als ‘ouder van’ horen om de maatschappij te confronteren met het gehandicapte kind en andersom. Job gaat mee naar de bakker, naar het zwembad en naar het terras. Soms leidt dat tot ongemakkelijke situaties, maar dat ongemak dient in mijn ogen een doel.
Hier in de kappersstoel trek ik mijn eigen beleid in twijfel. Ik voel dat ik het geduld van de kapper op de proef stel. Ik waardeer zijn vriendelijkheid, en ook dat hij geen oren meeknipt. Maar mag ik hem dit aandoen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *