Column: Aisha

Maandagmiddag was ik op weg naar zee. Langs de A9 doemde plotseling Schiphol op. Boven de autobaan hing een vliegtuig. Ik moest oppassen niet van de weg te raken, zo graag wilde ik kijken naar die gespreide vleugels en de wielen die als de klauwen van een buizerd op me af kwamen. Het was een beeld uit vervlogen tijden. Vroeger, jonge lezers, gingen mensen met het vliegtuig op reis. Op een andere baan steeg een enkele Boeing op en ik kon het niet helpen, achter het stuur schoot ik vol. Heimwee.

Afgelopen jaar stond een trip naar Zuid-Amerika gepland. Voor het Liliane Fonds zou ik een reportage maken over gehandicapte kinderen daar. Ik had ernaar uitgekeken. Naar de geur van een ander land, de klanken van een andere taal. Natuurlijk gingen we niet. Ik zou geen enkele landsgrens meer oversteken.

Aangekomen in het huisje aan zee waar ik een paar dagen rustig kon schrijven, opende ik een mail van het Liliane Fonds. Die bevatte een link naar een Gouden Boekje over een meisje dat ik in 2014 op de Filippijnen had ontmoet: Aisha. Weer dat gevoel van nostalgie. Hoe we door de natte straten van Manila liepen, binnen keken in het kleine huis van haar familie, toeschouwer mochten zijn van de fysiotherapie die ze via het Liliane Fonds kreeg. Inmiddels is Aisha 14. Er is een boekje over haar gemaakt omdat ze zich zo goed ontwikkelt, Aisha geeft nooit op.

Terwijl ik het lees, begin ik me te schamen. Alle energie die dit meisje heeft, steekt ze in school en therapie. Zij heeft nog nooit een vliegtuig gezien, laat staan reizen gemaakt. Vanwege corona zitten school en revalidatiecentrum al maanden potdicht, haar ouders moeten alles zelf doen.

Ik sta weer met beide benen op de grond. Nooit opgeven. Dank je, Aisha.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *